Hetero, lesbisch, homo, bi, pan of aseksueel: deze woorden beschrijven jouw seksuele oriëntatie (ook wel geaardheid of seksuele voorkeur genoemd). Ze geven aan tot wie je je aangetrokken voelt, op een romantische of seksuele manier.
Voor de één is de seksuele oriëntatie al heel snel duidelijk. Voor de ander kan het langer duren of niet makkelijk te beantwoorden zijn. Ook kan je seksuele oriëntatie veranderen.
Seksuele oriëntatie is niet hetzelfde als hoe jij je van binnen voelt (bijvoorbeeld man, vrouw of non-binair). Dat noemen we je genderidentiteit.
Weten op wie je valt kan leuk zijn. Dingen vallen op z'n plek en je leert jezelf goed kennen. Daardoor kan het voelen alsof je nu écht jezelf kan zijn. Het kan je zelfvertrouwen vergroten en je helpen om jezelf te accepteren. Ook kan je mensen ontmoeten die bij je passen, waardoor je fijne relaties kan aangaan en je verbonden voelt.
Soms is het niet zo makkelijk. Bijvoorbeeld omdat je denkt (of weet) dat je omgeving je seksuele oriëntatie niet accepteert. Of omdat je lang twijfelt of niet weet op wie je valt.
Niet iedereen voelt zich thuis in de lhbtiqa+ hokjes. Je hoeft geen naam te geven aan wat je voelt. Die keuze is helemaal aan jou. Ook zijn er andere woorden te gebruiken, zoals panseksueel (je wordt dan verliefd op mensen, het maakt je niet uit wat voor gender of geslacht iemand heeft), aseksueel (je voelt geen tot weinig seksuele aantrekking tot andere mensen) of queer (je voelt je niet thuis in de vaststaande hokjes voor gender en seksuele identiteit, of wijst deze af).
Om antwoord te geven op de vraag op wie je valt, kan je je seksualiteit onderzoeken. Hoe je dat doet lees je hieronder bij de tips.